Leerdoelen - b├Ętatalenten - vaardigheden

LEERDOELEN, BÈTATALENTEN EN 21E EEUWSE VAARDIGHEDEN

Leerdoelen

Bij de onderzoeks- en ontwerpopdrachten van OO Techniek kun je werken volgens de methode van onderzoekend en ontwerpend leren (OOL) en ook direct aan een aantal kerndoelen uit diverse leergebieden. Hieronder staan ze op een rijtje. Daarna volgen specifieke doelen per opdracht.

Kerndoelen

NEDERLANDS

De leerlingen leren zich uit te drukken naar vorm en inhoud bij het geven, beoordelen en achterhalen van informatie. Ze leren informatie en meningen te ordenen en te vergelijken. Ze vergroten hun woordenschat.

Kerndoelen

1      De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.
2      De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.
3      De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.
4      De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema's, tabellen en digitale bronnen.
5      De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.
6      De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.
7      De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.
8      De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.
9      De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.
12   De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder 'woordenschat' vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

 

REKENEN

De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen en te rekenen met eenheden en maten. Ze leren in praktische situaties rekenen met de structuur en samenhang van aantallen.

Kerndoelen

26   De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.
32   De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.
33   De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

 

ORIËNTATIE OP JEZELF EN DE WERELD

De leerlingen leren onderzoek te doen naar materialen en natuurkundige verschijnselen, bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen werking, vorm en materiaalgebruik, oplossingen voor technische problemen te ontwerpen en deze uit te voeren en te evalueren.

Kerndoelen

42   De leerlingen leren onderzoek doen naar materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.
44   De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.
45   De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.

 

KUNSTZINNIGE ORIËNTATIE

De leerlingen leren tekeningen te maken om er vervolgens een ruimtelijk werkstuk van te maken. Ze schenken aandacht aan de vormgeving van hun product.

Kerndoel

55  De leerlingen leren te reflecteren op hun eigen werk en dat van anderen.

Karakteristiek

  • Ze leren de beeldende mogelijkheden van diverse materialen onderzoeken aan de hand van de aspecten kleur, vorm, ruimte, textuur en compositie.
  • Ze maken tekeningen en ruimtelijke werkstukken.
  • Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen.


SPECIFIEKE DOELEN PER OPDRACHT

Spring in het veld

  • De leerlingen maken kennis met verschillende vormen van de beweging ‘springen’ bij levende wezens en bij voorwerpen die door mensen zijn gemaakt.
  • De leerlingen leren het verband tussen de vorm van een levend wezen (of een onderdeel daarvan) en de functie die het uitvoert.
  • De leerlingen kunnen in eigen woorden uitleggen welke invloed de zwaartekracht heeft op een springend levend wezen of voorwerp.
  • De leerlingen leren een constructie bouwen.

Houd het hoog

  • De leerlingen maken kennis met verschillende vormen van de beweging ‘zweven’ bij levende wezens en bij voorwerpen die door mensen zijn gemaakt.
  • De leerlingen leren het verband tussen de vorm van een levend wezen (of een onderdeel daarvan) en de functie die het uitvoert.
  • De leerlingen kunnen in eigen woorden uitleggen welke invloed de zwaartekracht heeft op een zwevend levend wezen of voorwerp.
  • De leerlingen leren een constructie bouwen.

Alle kanten op

  • De leerlingen maken kennis met verschillende vormen van beweging van langwerpige levende wezens en bij langwerpige voorwerpen die door mensen zijn gemaakt.
  • De leerlingen leren het verband tussen de vorm van een levend wezen of voorwerp (of een onderdeel daarvan) en de functie die het uitvoert.
  • De leerlingen kunnen in eigen woorden uitleggen hoe het hefboomprincipe kan helpen bij het verplaatsen van een voorwerp.
  • De leerlingen leren een bewegende constructie bouwen.

Pak ‘m beet

  • De leerlingen maken kennis met verschillende vormen van de beweging ‘grijpen’ bij levende wezens en bij voorwerpen die door mensen zijn gemaakt.
  • De leerlingen leren het verband tussen de vorm van een levend wezen of voorwerp (of een onderdeel daarvan) en de functie die het uitvoert.
  • De leerlingen kunnen in eigen woorden uitleggen hoe het hefboomprincipe kan helpen bij het grijpen van een voorwerp.
  • De leerlingen leren een bewegende constructie bouwen.

Tip

Kijk of de methoden die je op school gebruikt onderwerpen behandelen die passend zijn bij deze opdracht. Gebruik deze bijvoorbeeld als introductie van de opdracht of om kennis te verdiepen.

Bètatalenten

Tijdens het werken aan de onderzoeks- en ontwerpopdrachten van OO Techniek komen de (bèta)talenten van leerlingen naar voren. Een talent is iets waar iemand op dit moment relatief (ten opzichte van zichzelf) goed in is; een sterke eigenschap die bij een persoon past. Door leerlingen te observeren tijdens het doen van onderzoek, het uitvoeren van experimenten en het ontwerpen van het eindproduct krijg je zicht op de talenten van de leerlingen. Leerlingen zijn ook heel goed in staat om hun eigen talenten of die van andere te benoemen.

Talenten gebruiken

Wat kunnen je leerlingen al goed? Een leerling trekt vaak automatisch bepaalde taken naar zich toe, dit ligt in de comfort zone. Dit is prima, laat je leerlingen stralen!

Talenten ontwikkelen

Wat kunnen je leerlingen nog niet zo goed? De uitdagingen liggen net buiten de comfort zone. Het is de moeite waard om je leerlingen meer te leren en meer te laten oefenen met een taak of vaardigheid die nog niet zo uit de verf komt.

Talenten ontdekken

Wat hebben je leerlingen nog nooit gedaan? Zeker op het vlak van OO Techniek hebben je leerlingen wellicht nog niet veel gedaan. Laat je leerlingen kennismaken met taken en vaardigheden, en wie weet kom je achter nog onontdekte talenten!

21e eeuwse vaardigheden

Bij de onderzoeks- en ontwerpopdrachten van OO Techniek krijgen je leerlingen de kans om de 21e eeuwse vaardigheden te oefenen en ontwikkelen:

  • De leerlingen leren een probleem verkennen en een plan bedenken om tot een oplossing te komen.
  • De leerlingen oefenen in creatief denken. Ze leren vanuit het probleem op zoek te gaan naar toepasbare ideeën, te denken buiten gebaande paden en nieuwe samenhangen te zien. Ze leren uit te proberen en fouten te zien als leermogelijkheden. Ze ontwikkelen de daarvoor nodige ondernemende en onderzoekende houding.
  • De leerlingen leren kritisch denken, zelfstandig afwegingen maken en knopen doorhakken. Ze leren reflecteren op de gekozen aanpak en verbeteren waar mogelijk.
  • De leerlingen werken aan hun mediawijsheid. Ze leren zoeken naar kennis en leren deze op waarde (bruikbaarheid en betrouwbaarheid) te beoordelen.
  • De leerlingen leren bewust en doelgericht communiceren: communiceren binnen het team, met de leerkracht, met experts, met andere teams en met de jury.
  • De leerlingen leren in een team werken, hun eigen rol te vinden in het team en een ander zijn rol te gunnen. Iedereen heeft eigen kwaliteiten. Kinderen leren die te zien en in te zetten. Leren van en met elkaar: hulp en feedback vragen, geven en ontvangen, een positieve en open houding hebben ten aanzien van andere ideeën en respect voor verschillen.
  • De leerlingen oefenen in zelfregulering: verantwoordelijkheid dragen voor wat ze leren en doen, rekening houdend met de eigen capaciteiten, het heft in eigen handen nemen en niet klakkeloos aanwijzingen of voorschriften volgen.